Hoe begin je er aan? Deze basistips zetten je op weg.

1. Voorlezen doe je op een rustige plek

Voorlezen kan in principe overal, tenminste als er weinig of geen afleiding mogelijk is. Dus geen lawaaierige stofzuiger op de achtergrond, tv of radio staan af, geen pratende mensen rondom je...

2. Bereid je voor

Improviseren is leuk en het kan zelfs goed zijn om niet al te dicht bij de tekst te blijven. Maar een goede voorkennis van het verhaal en ook van de prenten is noodzakelijk om je van de tekst los te kunnen maken. Kijk dus vooraf hoe het verhaal in elkaar steekt, waar de moeilijkheden kunnen zitten, en verzin mogelijke oplossingen.

3. Zoek samen een boek

Probeer boeken te kiezen die aansluiten bij de belangstelling en de leefwereld van je voorleeskind.Laat hem of haar in de mate van het mogelijke zelf kiezen. Vraag aan je voorleeskindje wat hem of haar interesseert, en wat hij of zij een echt mooi boek vond.

4. Leid je boek in

Zomaar aan het verhaal beginnen, is een te abrupte start. Leid altijd kort het prentenboek in. Dit kan makkelijk aan de hand van de omslag: laat je voorleeskind zelf vertellen waar het boek volgens hem of haar over zal gaan. Op die manier zal je voorleeskind actief mee nadenken over het verloop van het verhaal.

5. Let op je tempo en articulatie

Pas je tempo en je articulatie aan aan het niveau van je voorleeskind. Hij of zij bepaalt hoe snel en je vertelt of leest. Een rustig tempo kan nooit kwaad. Een extra inspanning om duidelijk te articuleren evenmin.

6. Verklaar moeilijke woorden

Doel van de Boekenbende is boven alles dat je voorleeskind plezier beleeft aan het voorlezen. De voorleesuurtjes zijn geen lessen Nederlands. Als een bepaald woord essentieel is voor het goede begrip van het verhaal, leg het woord dan uit, of gebruik een synoniem.

7. Ga in dialoog

Verhalen vertellen of voorlezen is geen monoloog waarbij jij het woord voert en alle inbreng van je voorleeskind negeert. Maak van je vertelmoment zoveel mogelijk een dialoog. Door voor en tijdens je verhaal een vraag te stellen, kun je je kind actief betrekken. Stelt je voorleeskind zelf vragen, ga daar dan zeker op in.

8. Maak je verhaal zo levendig mogelijk

Intonatie en mimiek zijn heel belangrijk bij het voorlezen. In dialogen kun je spelen met je stem en je gelaatsuitdrukking. Idem om bepaalde verhaalelementen te onderstrepen: verrassing, ontknoping, spanning, ontgoocheling, blijdschap... Maar maak er ook geen toneel van. Je bent de verteller, de doorgever van een verhaal, en niet het hoofdpersonage van dat verhaal.

9. Napraten over het boek

Praat na het voorlezen nog even verder: beantwoordde het verhaal aan de verwachtingen van je voorleeskind? Heeft hij of zij al iets gelijkaardigs meegemaakt? Zou hij of zij hetzelfde gedaan hebben? Dat moet niet per se altijd in expliciete gesprekken, maar kan zeker ook op een meer indirecte manier door te tekenen of samen iets kleins te knutselen. 

10. Vraag raad

Voorlezen gaat wel eens met vallen en opstaan. Niet opgeven is de boodschap. Je kunt er met medevoorlezers over praten, raad vragen aan je docent, aan de juf of meester van je kind, en natuurlijk aan de bibliotheekmedewerkers.